40jaar home

visie visie aanbod werkvormen contact links








Quick Links: 

MFC  
Nieuws  
Vacatures  
Medewerkers  

Jeugdoase  
Kinderdorp  
De Triangel  
Thuisbegeleiding  
Crisishulp  



ORTHOPEDAGOGISCHE HULPVERLENING AAN GEZINNEN
VANUIT EEN CONTEXTGERICHT PERSPECTIEF


Deze tekst wordt sinds de zomer van 2007 intern gebruikt in onze organisatie. De lezer die aangesproken wordt, is dus in de eerste plaats de medewerker van vzw Sporen zelf.

1. Veranderende mensbeelden en de maatschappelijke opdracht van vzw SPOREN

Vzw Sporen ontleent haar bestaansrecht aan het vervullen van haar maatschappelijke opdracht. Deze opdracht wordt niet altijd even duidelijk door de overheid verwoord en is mede bepaald door de heersende politieke, maatschappelijke en morele waarden en normen. Het beschrijven van de evoluties in het denken over kind, gezin en opvoeding in de afgelopen 50 jaar zou ons in dit kader te ver brengen. De stroomversnellingen in de jeugdzorg van de laatste jaren zijn ook nauwelijks bij te houden. De traditionele instelling die als enige opdracht had de kinderen in leefgroepen op te vangen en op te voeden tot ‘goede burgers’ ligt definitief achter ons. Hier en nu staan voorzieningen zoals vzw SPOREN voor de uitdaging om een gedifferentieerd aanbod te hebben voor kinderen en hun omgeving in samenwerking met andere hulpverlening en met de bereidheid dit aanbod bij te sturen indien de vragen in de omgeving wijzigen.
(literatuur over de evoluties in de jeugdzorg vind je in het ‘Handboek orthopedagogische hulpverlening, nieuwe ontwikkelingen in het werkveld’ van Hans Grietens)

We kunnen enig houvast vinden in de nieuwste decreten omtrent onze maatschappelijke opdracht nu en voor de toekomst. Ik citeer uit het decreet op de integrale jeugdhulp van december 2002 art.3 §1:
Integrale jeugdhulp beoogt de ontplooiingskansen van minderjarigen, hun ouders, hun opvoedingsverantwoordelijken en de betrokken personen uit hun leefomgeving te vrijwaren en hun welzijn en gezondheid te bevorderen. Ze draagt bij tot een zo volledig mogelijke integratie van minderjarigen in de maatschappij. Ze beoogt, door sectoroverschrijdende samenwerking tussen jeugdhulpaanbieders en intersectorale afstemming van het jeugdhulpaanbod, aan die personen een continuüm van jeugdhulp aan te bieden als antwoord op een jeugdhulpvraag of een jeugdhulpbehoefte.

De wetgever is nog duidelijker over de opdracht en plaats van voorzieningen BJB in het globaal plan dat in februari 2006 werd bekend gemaakt. Nog nooit is de regelgever zo diep in gegaan op de inhoudelijke opdracht van een voorziening als de onze. Ik adviseer de lezer om de 9 werkingsprincipes van het globaal plan naast deze tekst te leggen.
Ik citeer: We schuiven 9 werkprincipes naar voren die de effectiviteit van het hulpaanbod moeten optimaliseren.
1 contextgericht en multimodaal werken
2 emancipatorisch en responsabiliserend werken
3 competentieverhogend werken
4 modulair werken
Het moduleren maakt het mogelijk dat het hulpaanbod beter kan aansluiten bij de hulpvraag. Het aanbod kan zo variëren op basis van onder andere de doelgroep (kansarme gezinnen, allochtonen, crisissituaties,...), aangeboden hulpfuncties (onthaal, begeleiding, dagbesteding...), en de geboden intensiteit van de hulp (1u per dag of meerdere uren).
5 werken met diverse expertises
6 wetenschappelijk onderbouwd werken
7 werken met complementaire trajecten voor jongeren in problematische opvoedingssituaties en jongeren die als misdrijf omschreven feiten pleegden
8 werken met versterkte regie en traject
9 veiligheid in rekening brengen
...Vanuit het werkprincipe van emancipatie en responsabilisering wil ik ook dat de deelname van ouders een versterkte plaats krijgt.


Wij moeten als voorziening deze opdrachten niet zondermeer aanvaarden en waarmaken, maar onze eigen missie en opdracht er uit putten en kenbaar maken. Vergelijkbaar met de doelen uit een handelingsplan die zich verhouden t.a.v. het hulpverleningsprogramma, hebben we in onze opdrachtverklaring geprobeerd onze eigen visie op het mensbeeld en onze opdrachten op te schrijven.
Onze opdrachtverklaring die eerder werd geschreven dan beide geciteerde teksten geeft ons een bruikbaar kader.

Ik citeer uit de opdrachtverklaring van de vzw SPOREN :
Sporen is gegroeid vanuit het christelijk-humaan gedachtegoed. We stellen volgende waarden centraal:
we geloven in de groei en de veerkracht van onze cliënten en onszelf;
(cfr. competentieverhogend werken)
we kijken eerst naar de mogelijkheden en houden bewust rekening met de grenzen;
(cfr. emancipatorisch en responsabiliserend werken)
we dragen zorg voor cliënten en medewerkers;
(cfr. veiligheid in rekening brengen)
we respecteren de rechten van het kind en de rechten van de mens;
we hebben respect voor ieders persoonlijke levensbeschouwing, zowel voor cliënt als voor medewerker, in de mate dat deze de rechten van de medeburgers garandeert;
we werken samen aan een waarde(n)volle zorg.

Het samenspel van deze waarden, van ieders gedrevenheid en eigenheid, vormt de motor en de meerwaarde van onze werking.

we respecteren de rechten van het kind en de rechten van de mens:
we streven naar een zo efficiënt mogelijke inpassing van alle rechten in de concrete werking, gelet op de werkbaarheid en de begeleidbaarheid én onze voortdurende opdracht tot bewaken van de gezondheid en het bieden van bescherming.


Ik wil graag onze opdrachtverklaring verder uit diepen.
Ik wil in de eerste plaats nadruk leggen op het principe van de vraaggerichtheid en tijdelijkheid van onze hulpverlening, die meer en meer op de voorgrond komen. De ouders en jongeren die ons worden doorverwezen hebben recht op een begeleiding die zichzelf voortdurend bevraagt op zijn voortgang. ‘Zijn we nog steeds actief aan het werken om het doel dat we samen met het gezin hebben afgesproken (bij het begin van de begeleiding) te bereiken?’, is de vraag die iedere medewerker dagelijks hardop zou moeten stellen.
Het is kenmerkend voor de vzw SPOREN dat we (op het ritme van de cliënt) streven naar het herstellen van de zelfwerkzaamheid van de jongeren en zijn gezin in hun context.
We zijn er van overtuigd dat problemen en tekorten eigen zijn aan het dagelijkse leven en dat het onmogelijk is een ideale situatie te creëren. Het is onze opdracht onze cliënten te helpen zich te handhaven in deze realiteit en om met hen samen op zoek te gaan naar de ‘tools’ die ze kunnen hanteren om problemen zelfstandig het hoofd te bieden. Onze opdracht is ook van pedagogische aard, en daarom per definitie ‘eindig’. Het doel van opvoeden is immers zelfstandigheid, zelfredzaamheid en mondigheid. Heel het gezin moet, vertrekkend vanuit een zorgende nabijheid, streven naar een goede balans tussen verbondenheid en de individuatie van zijn leden. Zo ook een voorziening met een pedagogische opdracht.
(literatuur rond dit thema: Knort E. ‘planmatig handelen in de jeugdhulpverlening’,
Willem Kleine Schaars ‘Van gelijkwaardigheid naar zelfbepaling’)


Daarmee is onze hele maatschappelijke opdracht nog niet helemaal beschreven. Volgens mij hebben we naast die belangrijke opdrachten t.a.v. onze cliënten die hierboven beschreven staan, ook een belangrijke opdracht naar de ‘globe’, de wereld waarin we ons bewegen. Als we het gedrag van kinderen willen veranderen moeten we er voor zorgen dat dit gebeurt in een goed en gezonde maatschappelijke context. Opvoeden is niet alleen jongeren integreren in de maatschappij, maar hen ook mondig maken. Op onze eigen manier en met de middelen die we hebben, moeten we bijdragen aan een zorgzame en gezonde context voor alle kinderen, door actief aan deze context te bouwen en door te maken dat de kinderen actieve deelnemers (en bouwers) worden van de context. Alle medewerkers, leidinggevenden en bestuurders van de vzw SPOREN, staan hier voor een uitdaging. Je kan woorden als ‘rechten van het kind’, ‘participatie’ en ‘emancipatorisch’ niet vrijblijvend in de mond nemen. In ons dagelijks handelen met onze cliënten en met elkaar zullen we deze moeilijke opdrachten moeten waarmaken. Op die manier staan we model naar jongeren en ouders, naar elkaar en naar de maatschappij. Wie wil dat de hele straat schoon is, moet eerst zijn eigen stoep vegen.

Top

2. Onze overtuigingen en inspiratiebronnen

De visie van onze organisatie vzw SPOREN is niet alleen door de regelgeving geïnspireerd. Verschillende stromingen in de menswetenschappen en bijhorende auteurs voeden onze ideeën en overtuigingen omtrent het hulpverlenen aan gezinnen. Ik zal dan ook trachten te achterhalen en te vermelden van waar welke overtuiging komt of welke auteur een bron van inspiratie omtrent deze overtuiging was.

Ook overtuigingen veranderen en zijn dynamisch. Toch zijn ze belangrijk en is het vooral belangrijk om ze te omschrijven. Zonder deze ‘afspraken’ is het moeilijk om met elkaar te werken omdat we anders steeds met elkaar in discussie moeten gaan over de aard en de doelen van onze begeleiding. Maar ook en vooral omdat het voor de kinderen en ouders duidelijk moet zijn wat we belangrijk vinden en wat ze van ons kunnen verwachten.
Sommige waarden zijn eng interpreteerbaar en laten weinig ruimte tot eigen invulling. (bv. Iedereen weet dat we geen lijfstraffen geven aan kinderen en kan een herkenbare invulling geven van wat lijfstraffen) zijn.) Andere daarentegen zijn ruim en meer impliciet dan expliciet aanwezig (bv ieder kind moet genoeg aandacht krijgen). Het omschrijven van de waarden die onze visie beïnvloeden is dan ook niet altijd even eenvoudig. Het lange proces met veel overleg moet de gedragenheid garanderen.
Ook al is het niet eenvoudig, toch ga ik alle belangrijke overtuigingen van de vzw SPOREN en de inspiratiebronnen gedetailleerd op papier zetten en verwacht dat, ongeacht de afdeling waarin een medewerker is tewerkgesteld, hij/zij zich zal conformeren aan deze overtuigingen (tenzij we samen veranderen van overtuiging).

De opdrachtverklaring biedt al enige houvast :
- fundamenteel respect voor de eigenheid van de jongere en hun gezin.
- werken met en in de sociale omgeving van de jongeren en hun gezin.
- ondersteunen van zelfverantwoordelijkheid en zoeken naar partnerschap binnen de samenwerking tussen cliënt en hulpverlener.
- streven naar een aanklampende hulpverlening.
- handelingsgericht: zowel planmatig als procesmatig werken.
- het bieden van een intensieve begeleiding die zich richt op verschillende facetten van het gezinsleven.
- aansluiten op de energie en de kracht die er leeft in het gezin en bij de jongere.
- werken aan de sociale integratie van de cliënten.

Onze overtuigingen worden hierna verder uitgediept.

Top

2.1 Subsidiariteit
Het subsidiariteitsbeginsel wordt in Van Dale omschreven als: het beginsel dat een centraal gezag zich niet met zaken mag bemoeien die beter op een lager niveau geregeld kunnen worden.
Dit werd in de hulpverlening vertaald in termen van ingrijpende en minder ingrijpende hulp. Zo wordt over het algemeen geacht dat het raadzamer is geen residentiële hulp aan te bieden als een ambulante werkvorm evenveel effect kan hebben. De term wordt in het decreet op de integrale jeugdhulpverlening als volgt omschreven; ik citeer uit het decreet:
Art.7 §3 subsidiariteit: wanneer meerdere vormen van jeugdhulp gelijkwaardig aan een jeugdhulpvraag of jeugdhulpbehoefte kunnen beantwoorden, wordt de minst ingrijpende vorm van jeugdhulp aangeboden.
In het globaal plan klinkt het zo:
De overheid kiest expliciet voor subsidiariteit: geschikte professionele en gespecialiseerde hulp inzetten waar noodzakelijk, maar waarbij minder ingrijpende hulp de voorrang geniet als die even effectief is.

Ik ben van oordeel dat dit principe een belangrijke plaats mag innemen in onze overtuigingen. Maar het hanteren van dit subsidiariteitsbeginsel heeft op verschillende momenten van onze werking veel consequenties, waar we zeer zorgvuldig moeten mee omgaan.
In de eerste plaats op de keuze van de hulpverleningsvorm die wordt aangeboden. We vinden het belangrijk om de minst ingrijpende werkvorm met de meeste garantie op succes aan de gezinnen aan te bieden, maar moeten ons realiseren dat we deze beslissing niet autonoom kunnen nemen. Het is in de jeugdhulpverlening altijd een moeilijke beslissing om de juiste hulpverleningsvorm te kiezen. Wanneer is welke hulpverlening de beste en voor hoe lang?
(literatuur:Kind in crisis, het jeugdbeschermingsdilemma. Bartels J.A.C.)
We zijn ons allemaal bewust dat het traumatische effect van een te vroege en/of te lange plaatsing even groot is als dat van een opname die te laat komt of te snel wordt afgebroken. In samenspraak met het gezin en de verwijzer moet er zorgvuldig worden afgewogen of het hulpaanbod goed aansluit bij de hulpvraag (cfr. de ‘fit’ van MST). Op afgesproken tijdstippen moet bevraagd worden of de hulp nog verder moet worden aangeboden en/of het niet aangewezen is dat voor een andere hulp wordt gekozen. Of zelfs helemaal moet gestopt worden met hulp aan te bieden. De evaluatiemomenten en evolutiebesprekingen zijn in elke begeleiding dan ook cruciale werkingsmiddelen die met zorg moeten worden uitgevoerd.
De verantwoordelijkheid voor deze afweging ligt bij elke hulpverlener die betrokken is op het gezin en moet zich in het teamoverleg engageren om mee de juiste antwoorden te zoeken op deze moeilijke vragen.
Later in de tekst wil ik terug komen op de vragen die het voorgaande zeker oproepen omtrent ‘veiligheid’. Wie beschikt over het mandaat om te oordelen of er genoeg ‘bescherming’ wordt geboden? Wie moet beslissen dat een kind uit een onveilige thuissituatie moet worden weggenomen, welke criteria moeten worden gehanteerd? Ik wil nu al wel aangeven dat ik in een situatie met (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag naar kinderen het advies van het Vertrouwenscentrum wens te volgen dat zegt ‘trek de kaart van het kind en zorg voor hun veiligheid’.

Top

2.2 Zelfsturing
Dit brengt ons bij het tweede effect van de overtuiging om subsidiair te werken. ‘Iets dat op lager niveau kan worden afgehandeld moet niet door hogere instanties worden opgenomen’ zegt Van Dale over het principe. Ik volg zeker het idee dat zelfsturende teams, waar samen de verantwoordelijkheid wordt opgenomen om de hulpverlening te organiseren, sneller en effectiever en dus beter de hulpvraag beantwoorden.
(literatuur: Het productieve groepsteam; J. Weijenberg)
Deze manier van werken dwingt alle medewerkers om bewust te zijn van hun positie en functie t.a.v. elkaar en onze cliënten. Eigen leiderschap en interdependentie zijn hierin de sleutelwoorden.
(literatuur : alles omtrent thema gecentreerde interactie: bv. van psychoanalyse naar themagecentreerde interactie, Ruth Cohn; en Themagecentreerde interactie, Löhmer en Standhardt)
De persoon van de hulpverlener is misschien wel het belangrijkste werkinstrument dat een organisatie als vzw SPOREN heeft.
Een grotere organisatie zoals vzw SPOREN met verschillende entiteiten met een eigen autonomie is gebaseerd op een goede communicatie. Interacties tussen leiding en werkvloer moeten regelmatig en gestructureerd verlopen. Binnen de grenzen die aangegeven worden door het bestuurscollege kan ieder team zijn specialisatie ontwikkelen in het werken met de doelgroep en de middelen die hun zijn toegewezen. De bijsturing gebeurt in het eigen team maar ook door de samenwerking met andere teams en de leidinggevende. Centraal wordt de gelegenheid gecreëerd om elkaar te ontmoeten en elkaar feedback te geven. Dit circulaire proces is gebaseerd op vertrouwen in elkaars kunnen en professionaliteit en voedt op zijn beurt dit wederzijds vertrouwen. Ieder deel van de organisatie heeft de verantwoordelijkheid zijn eigen opdracht zo goed mogelijk te realiseren en betrokken te zijn op de andere delen van de organisatie. Regelmatig zal het bestuurscollege de krachtlijnen uitzetten voor een volgende periode en wordt van de hoofdbegeleiders verwacht dat ze verantwoording afleggen voor de stappen die ze hebben gezet binnen deze lijnen. Deze visietekst is de basis van de werking van de zelfsturende teams en voor iedereen bindend.

Top

2.3 Emancipatorisch werken in partnerschap (op basis van evenwaardigheid)
Ook deze overtuiging komt al ter sprake in de opdrachtverklaring van vzw SPOREN. In de jeugdzorg is het idee dat hulpverlening emancipatie in de hand moet werken al lang en breed ingeburgerd. Dit heeft natuurlijk te maken met het heersende mensbeeld, waar ook wij in vzw SPOREN ons in herkennen n.l. :
– individuen zijn uniek en gelijkwaardig
– mensen hebben elkaar nodig om zich persoonlijk en sociaal te ontwikkelen
Onze hoofdopdracht ‘opvoeden’ is per definitie niks anders dan emanciperen of het streven naar verzelfstandiging van de cliënt, hem gelijkgerechtigheid verschaffen enz.

Toch heb ik een speciale reden om het emancipatorisch werken vanuit de vzw SPOREN nog verder uit te diepen. Ook al is het gemeengoed geworden om emancipatorisch te werken, het is daarom nog niet vanzelfsprekend in een hulpverleningscontext. Het effect van emancipatorisch werken kan alleen dan worden bereikt wanneer van uit de juiste positie, die van evenwaardige partner, naar de jongeren en de gezinsleden wordt gestapt.
Anders dan in een opvoedingssituatie zullen we als hulpverleners niet in de bovenpositie kunnen gaan staan om ouders en contextleden, zelfs de adolescenten die ons zijn toevertrouwd, te begeleiden. Het is de kunst om te sturen zonder leiding te geven, te spiegelen zonder de persoon af te keuren, te stimuleren zonder te betuttelen enzovoort. We moeten de cliënten stimuleren op hun eigen domein en met middelen die passen bij hun eigen mogelijkheden. Dit kan alleen als je 'echt' gelooft in de intenties en competenties van gezinnen.
(inspiratie en literatuur: G. Ausloos, de competentie van families; good-enough parenthood; narratieve therapiemodel enz. )

Ten tweede wil ik de aandacht vestigen op de paradox van het emancipatorisch werken in een residentiële context. In hun groeien naar zelfstandigheid moeten de jongeren in de leefgroep experimenteerruimte krijgen. Het is belangrijk dat ze in deze ruimte kunnen leren voor zichzelf op te komen op een juiste manier. Tijdens dit leerproces is het de bedoeling dat ze in verzet komen tegen dat wat hun onderdrukt. Deze onderdrukking is vaak terug te voeren tot trauma’s uit het verleden of het huidige gezinssysteem. Als begeleider is het niet zo moeilijk om solidair te zijn met de jongere tijdens dit proces. Maar wanneer echter, zoals zeker binnen de residentiële hulpverlening het geval kan zijn, de onderdrukking ook wordt veroorzaakt door het netwerk van systemen binnen de instelling zelf, dan wordt solidariteit, en daarmee dus emancipatorisch hulpverlenen, een zaak die ook de structuren van de instelling kan raken. Het kan betekenen dat een methodiek moet worden aangepast of een andere organisatiestructuur moet worden opgezet Dit kan soms moeilijk te combineren zijn met de regels die het dagelijks samenleven in een leefgroep organiseren. Toch gaan regels en emancipatorisch werken hand in hand. Elk team zal dagelijks dynamisch moet balanceren tussen deze twee.
(literatuur: Coachend opvoeden, H.Verhage; Parents and adolescents living togheter, Patterson&Forgatch; Antisociale Jongeren, J. Peeters enz.)

Top

2.4 Geloof in veerkracht en groeikracht van onze cliënten en hun context
Deze overtuiging sluit heel erg aan bij het vorige, maar ik wil ze toch in de visietekst apart vernoemen. Alle inspiratiebronnen die voor ons van belang zijn geven op hun manier aan hoe belangrijk het is om competentie en groeikracht te herkennen van bij de eerste kennismaking met de cliënt. Twee voor ons belangrijke modellen staan hierin voorop.
‘Het competentiemodel’ pleit er voor de problematische ontwikkeling van de individuele jongeren te doorbreken door de vaardigheden van deze jongere te vergroten en “protectieve” factoren in hun omgeving te activeren. Er dus van uitgaande dat alle jongeren, ook zij die problematisch gedrag vertonen, vaardigheden hebben en kunnen ontwikkelen.
Ausloos en Henggeler, die beide vertrekken van uit het systeemdenken, leren ons dat het gezin en de context de hefbomen zijn om positieve ontwikkelingen te garanderen als de competenties worden aangesproken die in het systeem aanwezig zijn.
Van alle medewerkers van vzw SPOREN wordt verwacht dat zij naar de jongeren en mensen in begeleiding kijken vanuit het systeemtheoretisch model. Heel het model in al zijn finesses verklaren en alle boeiende concepten er van uitleggen zou te ver gaan.
Toch wil ik jullie in dit kader aansporen om de literatuur die voorhanden is rond dit thema zeker te lezen.
(literatuur : Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg, Slot en Spanjaard; De competentie van families, G. Ausloos; Multisystemic treatment of antisocial behavior in children en adolescents, S. Henggeler)

Denken in termen van schuld, weerstand, onwil,…enz. leggen krediet op de hulpverleningsrelatie. In onze organisatie gaan we er vanuit dat mensen ongewild in een problematische situatie zijn terecht gekomen en niks liever willen dan terug hieruit te raken. De rol van een hulpverlener is niet te veroordelen en te dwingen tot verandering, maar bij te staan, mee te zoeken en vooral de kracht van de cliënt aan de oppervlakte te brengen door te vertalen wat de cliënt impliciet wel weet maar niet meer kan zien.
Er is op diverse manieren al aangetoond dat een positieve attitude in een interactie zeer stimulerend werkt en mensen optilt naar een niveau dat ze niet verwachten aan te kunnen. Beschuldigen en afkeuren daarentegen lokt vaak alleen maar tegenkanting en afstand uit en maakt hulpverlenen onmogelijk.
Ik ben me er van bewust dat het niet altijd eenvoudig is om te blijven geloven in de competenties van jongeren en families en dit te vertalen in een positieve begeleidingsactie, maar het lijkt mij de enige constructieve (soms zelfs naïeve) houding te zijn die een hulpverlener kan aannemen.
Een belangrijke voorwaarde om deze overtuiging in de praktijk om te zetten is als begeleider de vaardigheid te ontwikkelen om blijven in DIALOOG te gaan met de cliënten.

Top

2.5 Ouders en kinderen blijven met elkaar verbonden (op hun eigen manier)
Ouders hebben recht op betrokkenheid. Voor deze overtuiging vinden we vooral inspiratie bij Bozormenyi-Nagy die, eveneens vertrekkend vanuit een systeem-georiënteerde visie, de nadruk legt op het belang van de verbondenheid tussen kinderen en hun ouders. Zijn model is een belangrijke aanwijzing voor ons om zorgzaam om te gaan met deze ‘onverbrekelijke’ band tussen ouders en kinderen. Te lang is de Bijzondere Jeugdzorg er van overtuigd geweest dat ouders simpelweg vervangen konden worden door andere zorgende figuren in een residentiële setting. Het contextuele model toont aan dat de loyaliteit van kinderen t.a.v. hun ouders niet kan genegeerd worden.
In de vzw SPOREN willen we daarom elke vorm van hulpverlening met heel veel zorg toepassen en aan alle kinderen en hun ouders garanderen dat er een aangepaste vorm van contact en indien mogelijk terugkeer naar huis wordt gerealiseerd (zo snel mogelijk). Dit geldt voor alle kinderen en jongeren en alle gezinnen die ons worden toevertrouwd.
De structuur en organisatie van de vzw SPOREN is dan ook in zijn geheel zo opgezet dat deze doelstelling prioritair kan/zal worden nagestreefd. Zowel de ambulante, semi-residentiële als residentiële hulp is contextgericht. Hiermee wordt bedoeld dat onze hulpverlening altijd gericht is op kinderen én hun context. Iedere medewerker zal in zijn houding en handelen met kinderen en ouders respect tonen voor hun verbondenheid. De taak/rol van de gezinsbegeleiders en begeleiders is de ontwikkelingskansen in het gezin van oorsprong te vergroten en de opvoedingstaak zoveel mogelijk toe te vertrouwen aan de ouders.
(literatuur en inspiratie : Tussen Geven en nemen, Ivan Boszormenyi-Nagy ; Leren over leven in loyaliteit, M. Michielsen; de interne vorming die Greet Splingaer in vzw Sporen gaf in 2005-2006)

Top

2.6 Samenwerken met collega’s in netwerken
Werken in de hulpverlening is werken in dialoog. Soms kan dit in heel ingewikkelde en meestal in problematische situaties zijn. Het middel dat de hulpverlener voorhanden heeft is de eigen persoon. Niet zelden worden we dan ook in onze contacten met gezinnen en jongeren geconfronteerd met onze eigen grenzen en valkuilen.
In onze organisatie vinden we dat 'samenwerking' de juiste ondersteuning kan bieden aan iedereen in deze gecompliceerde opdracht. De directe feedback en steun van collega’s is zeer belangrijk. Daarom moeten collega’s elkaar regelmatig ontmoeten. In informele contacten kan men ventileren en elkaar ondersteunen. Hiernaast is het belangrijk regelmatig formeel overleg te hebben tijdens teamvergadering, denkdagen, vormingsmomenten, inservice-training enz.
In vzw SPOREN willen we extra aandacht geven aan de ondersteuning van de medewerkers door hun een aanbod te doen aan intervisie, werkbegeleiding en supervisie vanuit teambegeleiders en leidinggevenden.

Intervisie:
Dit zijn alle vormen van overleg met 'beroepsgenoten' die handelen over moeilijkheden die men ervaart in het begeleiden van de cliënten De collega’s adviseren elkaar om tot oplossingen te komen in probleemsituaties onder leiding van de leidinggevende.

Werkbegeleiding/ driehoeksoverleg
Werkbegeleiding is er op gericht om de visie en het beleid van de voorziening te verbinden met de werkuitvoering. Werkbegeleiding heeft als doel de individuele werker te begeleiden in het waarmaken van het vastgestelde doel van de hulpverlening die hij biedt. De inhoudelijke deskundigheid van de werker is het onderwerp van dit gesprek en het overleg heeft ook een steunende en soms ook lerende functie. Werkbegeleiding gebeurt met hoofdbegeleider, begeleider en gezinsbegeleider.

Supervisie
Hier is het doel van het overleg de medewerker te helpen helderheid te krijgen over de wijze waarop hij persoonlijke ervaringen, kennis, normen en waarden en manieren van communiceren inzet in het (samen)werken met cliënten, collega’s en andere disciplines.
In het face tot face gesprek tussen supervisor en medewerker is de medewerker in zijn handelen en als persoon het onderwerp van gesprek.

In het dagelijkse samenwerken en speciaal tijdens de overlegmomenten wordt van de medewerkers van vzw SPOREN verwacht dat:
- ze verantwoordelijkheid opnemen voor zichzelf en voor de collega’s (zichzelf en elkaar bijsturen waar nodig);
- dat ze op een zorgzame manier met elkaar communiceren (feedback geven die kan gehoord worden);
- bijdragen aan een open overlegcultuur waar men genoeg veiligheid ervaart om elkaar te bevestigen, te ondersteunen en feedback te geven.

De rol van de leidinggevende in de samenwerking is cruciaal:
- ze onderhouden contacten met alle medewerkers om op die manier invloed uit te oefenen op het proces van de samenwerking en aan te voelen waar nood is aan bijsturing;
- ze zijn verantwoordelijk voor het verzamelen en verspreiden van de informatie die de medewerkers nodig hebben om goed te kunnen (samen)werken;
- Ze bemiddelen waar nodig en bevorderen de besluitvorming van de groepen mensen in het belang van de cliënten.

Deze richtlijnen zijn ook van toepassing in de contacten met hulpverleners uit andere voorzieningen en zeker voor het overleg met de verwijzers.
(literatuur: het produktieve groepsteam, J. Weijenberg; Condities, J. de Bree; handboek ontwikkelingsgericht coachen; R. Vandamme enz.)

Top

2.7 Streven naar professionaliteit en evidence-based werken
De jongeren en gezinnen in begeleiding hebben meer nodig dan goede zorgen en nabijheid. Het is ook zorgzaam om professioneel en adequaat te werken. Deze overtuiging vindt langzaam maar zeker in heel de hulpverlening zijn ingang.
Op wetenschap gebaseerd werken impliceert dat onze medewerkers ook tijd en energie investeren in vorming en meewerken aan onderzoek. Onze organisatie is stilaan een traditie aan het uitbouwen in vorming en training. Onder de juiste condities krijgt iedere medewerker individueel of in groep de nodige opleiding. De medewerkers bepalen zelf mee welke methodieken ze wensen te leren en welke opleiders en opleidingen hiervoor geschikt zijn.
Deze investering moet vooral effect hebben op het werken met de cliënten, maar ook mensen aanmoedigen om op zoek te gaan naar de meest effectieve hulp voor die cliënten waar hij mee werkt. We verwachten een kritische en actieve houding van onze personeelsleden.

Top

2.8 Vraaggestuurde en doelgerichte begeleidingen
met perspectieven op korte termijn grenzen van de hulpverlening

Deze overtuigingen zijn de moeilijkste om op papier te zetten en het minst eenduidig. Toch blijf ik de termen 'vraaggestuurd', 'doelgericht' en 'korte perspectieven' graag gebruiken voor al de vormen van hulpverlening die we aanbieden in de vzw SPOREN.
Het is natuurlijk eenvoudiger om deze uitspraken te verbinden aan de hulp die Crisishulp een Huis aanbiedt, dan dit te schrijven in het pedagogisch profiel van De Pijl. Toch zijn we er van overtuigd dat elke hulpverlening een doel nodig heeft, en elke jongere en ouder dit doel ook moet kennen en herkennen als een doel van zichzelf waar hij wil naar streven. Ook als de prognose is dat de plaatsing lang zal duren, moet de rode draad (regie wordt het nu genoemd) in de hulp worden vastgehouden. Dit kan door in het handelingsplan te werken met 'tussendoelen'. Dit zijn haalbare perspectieven op korte termijn die voor de jongeren en de ouders de begeleiding overzichtelijk maken en vooral de jongeren stimuleren om zich in te blijven inzetten om zijn problemen aan te pakken.
Het handelingsplan en de evolutieverslagen zijn een belangrijk hulpmiddel om dit te realiseren. We verwachten dan ook dat alle medewerkers de nodige zorg aan deze werkinstrumenten besteden. De timing van het handelingsplan en het evolutieverslag is belangrijk. De regelgeving is ook duidelijk en moet worden gevolgd. De samenwerking en het overleg met de verwijzer speelt een grote rol in het opstellen van een goede handelingsplanning. Zij bepalen de algemene doelen in het hulpverleningsprogramma en wij bepalen samen met het gezin hoe de weg naar deze doelen er zal uitzien. Daarom is het ook belangrijk alle gezinsleden optimaal te betrekken in het opstellen van het handelingsplan en het bespreken van de evolutie.
Wanneer er geen doelen en perspectieven worden gevonden samen met jongeren en ouders, zal de begeleiding zeer moeilijk verlopen. Zowel hulpvrager als hulpverlener dreigen in cirkels rond elkaar te draaien zonder echt te weten waarom, wat en hoe. Al snel zal de frustratie van de jongeren en de vragen van de ouders worden geïnterpreteerd als weerstand en onwil en zal de begeleiding voortijdig worden afgebroken. Dit dient zoveel mogelijk te worden vermeden. Iedere begeleiding die negatief afloopt is voor de cliënten een nieuwe teleurstelling en zal het moeilijker maken vertrouwen te hebben in de hulpverlening.

Dit brengt ons bij de vraag welke hulpverlening zinvol is, wat zijn onze grenzen? Welke jongeren en welke gezinnen kunnen we wel begeleiden en welke niet? Er zijn makkelijk een hele reeks van indicaties op te sommen die het hulpverleningsproces zullen bemoeilijken of onmogelijk maken. Druggebruik, agressie, psychische problemen, onveiligheid, grensoverschrijdend gedrag,... .vaak problemen en gedragingen die inherent zijn aan de interacties waar onze cliënten al jaren mee worden geconfronteerd of die ze zelf gebruiken om zich staande te houden in hun moeilijkheden. Hen daarom begeleiding weigeren zou in feite paradoxaal zijn. Zonder de pretentie te hebben dat we alles aan kunnen zou ik toch willen stellen dat ook jongeren en gezinnen met complexe problemen bij ons moeten terecht kunnen voor begeleiding.
Een belangrijke grens die we wel trekken is wanneer de veiligheid van de kinderen niet meer kan gegarandeerd worden door ons aanbod. We zullen dan samen met verwijzer, en indien mogelijk de ouders, op zoek gaan naar een alternatief dat deze veiligheid wel kan bieden.
Agressie en grensoverschrijdend gedrag t.a.v. medewerkers nemen we heel ernstig. In de beleidstekst aangaande stellen we duidelijk op welke hulp en zorg jullie als personeelsleden in een dergelijk situatie kunnen rekenen.

We willen de begeleiders ook aansporen om duidelijk de regels en grenzen omtrent druggebruik, agressie, enz. te bewaken. Een belangrijke opdracht van begeleiding en opvoeding is het aanleren van aanvaardbaar gedrag en respectvol omgaan met anderen. Begeleiders moeten model staan in hun eigen gedrag en op tijd en duidelijk de grens trekken.
(Inspiratie: Parents and adolescents living together: Forgatch en Patterson; moeilijke adolescenten, Jos Peeters e.a.)

Top




Hiermee wil ik dit hoofdstuk betreffende onze overtuigingen afsluiten. Ik wijs er nog eens op dat dit een toevoeging en uitdieping is van de tekst in opdrachtverklaring. Bewust staan de attitudes rond samenwerking met collega’s en cliënten door elkaar omdat het werken in de hulpverlening altijd werken met mensen is. Of deze mensen je cliënten of collega’s zijn maakt geen verschil.
In al de interacties die we dagelijks met elkaar hebben moet, naar mijn bescheiden mening, één basiswaarde door alle deelnemers aan deze interactie steeds worden bewaakt nl. de wens om in dialoog te gaan. D.w.z. vrij en onbevangen, maar met respect en zorg zijn eigen overtuiging, vertalen en tegelijk echt en actief te luisteren, zonder vooroordelen en vooringenomenheid, naar de mening van de andere.

Top


3. Een goede beroepshouding, kerncompetenties van de medewerkers van vzw SPOREN

Uit voorgaande is duidelijk dat we in dialoog met elkaar opdrachten en taken van de verschillende medewerkers in vzw SPOREN bepalen. Het bestuurscollege bakent de functies af die nodig zijn voor de uitvoering van de hulpverlening. Met aandacht voor de ervaring en vaardigheden van de medewerkers worden de opdrachten onder elkaar verdeeld en regelmatig geëvalueerd en bijgestuurd. Een uitvoerige beschrijving van de functies en hun taakomschrijving vindt men terug in het kwaliteitshandboek.

In deze tekst wil ik voor de medewerkers van de vzw SPOREN een beschrijving van gedragingen en intenties noteren die ze minimaal moeten waarmaken. Ik noem ze kerncompetenties omdat ik er wil vanuit gaan dat iedere medewerker deze minimaal beheerst. Maar ik zie ze ook als de basis om verder op te bouwen in de overtuiging dat onze medewerkers als persoon zullen groeien tijdens hun loopbaan. Ik vind een eerste vereiste om een goed hulpverlener te zijn, de wil en de voortdurende interesse hebben om van de contacten met cliënten te leren en zelf te groeien.
Waarom deze opsomming? Het was een uitdrukkelijke vraag van de leidinggevenden van vzw Sporen om een 'maatstaf' te hebben. Ook de medewerkers zelf hebben in de tevredenheidmeting aangegeven dat ze regelmatig feedback willen krijgen over hun handelen. De volgende beschrijving kan aan de leidinggevende een instrument geven om te hanteren in verschillende situaties. Deze criteria kunnen worden gehanteerd bij sollicitatiegesprekken en bij evaluaties. De opsomming kan ook richtinggevend zijn en de focus zijn voor functioneringsgesprekken. Ook tijdens werkbegeleiding en supervisie kan gebruik gemaakt worden van deze 'maatstaf' van een goede beroepshouding.

3.1 De kerncompetenties
Een medewerker van vzw SPOREN is

- geëngageerd
Hulpverlening als beroep kiezen doe je op je 18 jaar of iets later. Misschien was je keuze op dat moment ingegeven door je persoonlijke ervaringen en door je overtuiging dat je andere mensen kon helpen. Je motivaties van toen zijn nu misschien niet meer zo relevant en toch is het belangrijk om je engagement te behouden. Dit betekent dat je betrokkenheid t.a.v. je cliënten dezelfde is gebleven ook al ben je al jaren als begeleider actief. Je bent er nog steeds van overtuigd dat je verschil kan maken in het leven van anderen. Je bent ook betrokken op de maatschappelijke problemen en wil via dit werk bijdragen aan een betere samenleving. Dit is een belangrijke drijfveer om in dit werk te staan en te blijven.

- empatisch
Een hulpverlener heeft een goed invoelingsvermogen. Deze attitude maakt het mogelijk om de juiste positie te kiezen t.a.v. de cliënt waarmee je verbondenheid zoekt. Niet te kort bij want dan duikel je mee onder in de problemen en is verandering ook voor jou te moeilijk. Maar ook niet te ver op afstand, want dan voelt de cliënt jouw betrokkenheid op zijn vraag niet.

- positief
Een begeleider is niet veroordelend naar personen en hun situatie. Je gelooft in de krachten en groeimogelijkheden van iedere cliënt en zijn context. Ik verwijs graag nogmaals naar de visie van Guy Ausloos in hoofdstuk 9 van zijn boek 'competentie van families'.

- dynamisch en leergierig
Je moet als hulpverlener de weinige kansen die zich aanbieden om tot verandering te komen aangrijpen en geen gelegenheid laten voorbijgaan om het doel van de cliënt na te streven. Dit is ook voor jezelf belangrijk. Het vormingsbeleid van vzw SPOREN is er om je de gelegenheid te bieden je eigen competenties te vergroten.

- professioneel en verantwoordelijk
Hulpverlening is ingrijpend voor cliënten, sommige vormen van hulpverlening hebben verstrekkende gevolgen voor jongeren en ouders. Daarom zijn we verplicht dit met de grootst mogelijk zorg en weldoordacht te doen. Je acties moeten grondig doordacht en besproken zijn vooraleer je ze uitvoert.
Hulpverlenen is ook een beroep waarbij je jezelf en je eigenheid als middel hanteert. Toch mag je niet uit het oog verliezen dat de interacties met cliënten en collega’s zich afspelen in een werkcontext. Zeker in moeilijke momenten kunnen cliënten je persoonlijk aanvallen, soms zelfs fysiek. Het is je opdracht om ook hier zo professioneel mogelijk te blijven. Natuurlijk mag je in een dergelijke situatie rekenen op ondersteuning. Hiervoor zijn in vzw SPOREN de nodige procedures en afspraken gemaakt.
Hulpverlening is geen exacte wetenschap en er zijn zoveel opvoedingsstijlen als er ouders zijn. Toch moeten we methodieken hanteren die hun degelijk bewezen hebben en waarvan wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat ze werken.

- een teamlid en ondersteunend naar collega’s
Het is al wel duidelijk dat iedereen in vzw SPOREN een veeleisende opdracht heeft. Die taak kunnen we alleen waarmaken als we elkaar op verschillende domeinen optimaal ondersteunen. Procedures en afspraken kunnen voor een groot deel deze ondersteuning organiseren, maar een goede teamdynamiek is daarin nog belangrijker. Een team waarin genoeg veiligheid is om grenzen te kunnen aangeven, waar begrip is voor de beperktheden van iedereen en men de competenties van de andere waardeert en aanspreekt biedt de meeste garantie op ondersteuning. Als teamlid ben je zelf verantwoordelijk voor het installeren van deze voorwaarden. Het is vooral een zaak van evenwicht, van geven en nemen van iedereen.

- flexibel in zijn handelen en denken
Als hulpverlener ben je ervan bewust dat er in deze werkelijkheid niet één maar vele waarheden zijn. Een open geest voor verschillende waarheden en percepties is nodig in het omgaan met de hulpvragers. Geloven dat er maar één juiste waarheid is, is een vorm van fundamentalisme en gevaarlijk

- zelfkritisch
Om de voorgaande kerncompetenties waar te maken moet je bereidt zijn regelmatig in de metapositie te gaan zitten en kritisch naar jezelf te kijken. Luister naar wat anderen over je zeggen en gebruik deze opmerkingen om te groeien.

Top


4. Besluit

Deze tekst over onze visie is nu afgerond en tegelijk start opnieuw de periode waarin hij zal bevraagd en herzien worden. Een visie mag nooit een statisch fenomeen zijn, want dan wordt het een dogma.
De evoluties in het werkveld staan niet stil. De wetenschap doet dagelijks nieuwe uitspraken. Maatschappelijke gebeurtenissen volgen elkaar in sneltreinvaart op. Dus ook onze waarden en overtuigingen zullen constant worden bijgestuurd.
Toch hoop ik dat de tekst enig houvast zal bieden. Als deze tekst kan bijdragen aan de vlotte dialoog dan heeft hij zijn doel bereikt.
Deze visietekst staat ook niet op zichzelf. Hij is een uitdieping van de opdrachtverklaring en tegelijk een basis voor procedures en omschrijvingen in het kwaliteitshandboek en voor de profielteksten van de verschillende afdelingen.
U bekijkt hem dus best als een verbinding, een schakel waaraan men zich moet vasthaken als men mee wil met de vzw SPOREN.

Top




Laatst bijgewerkt op 10 januari 2008. webmaster - vzw Sporen